08 Dec 2021

 

achtergronden

Sofie van de Waart: ‘Bied vwo’ers ook praktijklessen!’

 

Door Marianne Eggink

 

 

Slimme leerlingen die met hun handen willen werken, belanden vaak onder hun niveau op het vmbo of worstelen onnodig met het theoretische vwo. Daarom pleit columnist, juf, onderwijsadviseur en hoogbegaafdheidspecialist Sofie van de Waart voor de oprichting van een vwo-praktijkschool. Wij vroegen haar hoe, wat en waarom! 

Waaraan merk je dat er behoefte is aan een vwo-praktijkschool? 

’Ik zie veel schooluitval onder getalenteerde leerlingen die worstelen met theoretisch onderwijs, en die niet in het huidige systeem passen. En leerlingen die op een te laag niveau instromen omdat ze graag met hun handen werken. Ze halen dan tienen met de boeken dicht en vinden aansluitend geen uitdagend werk. ‘Waarom is er geen praktische variant van het vwo?’, vraag ik me dan af.  

Ik merkte nog eens extra hoezeer dit onderwerp leeft, aan de overweldigende hoeveelheid reacties die ik kreeg op mijn column in Trouw, hierover. Ik word dagelijks gebeld, gemaild en geappt door mensen die het probleem herkennen, die een kind hebben dat goed zou passen op de vwo-praktijkschool, of er zelf naartoe hadden gewild.’ 

Hoe zie je dit probleem terug in de praktijk? Noem eens een voorbeeld? 

’Ik denk aan een van mijn hoogbegaafde leerlingen, die alles weet over installatietechniek. Als je met hem over straat loopt, wijst hij alle leidingen aan: hoe de steigers werken, wie de leverancier is. Hij weet hoe je dingen installeert in de bouw, die voor mij te ingewikkeld zijn om te begrijpen. Maar op het vmbo krijgt hij les over simpele stroomkringetjes. Waarom kan dat niet op een hoger niveau? En dat geldt eigenlijk voor elk interessegebied waarvan we nu als maatschappij zeggen: ‘nee het is niet de bedoeling dat je dit beroep of deze stroming volgt, want je niveau is te hoog.’ Ondanks het talent of de interesse van een leerling, en de moeite met theoretisch leren. Bizar toch?!’ 

Wat is het effect hiervan op de beroepskeuze, en de periode daarna? 

‘Als je goed kunt leren, maar iets praktisch wilt gaan doen, dan heb je op de universiteit maar beperkte studiekeuzemogelijkheden. Je kunt bijvoorbeeld kiezen voor diergeneeskunde of tandheelkunde, maar daar moet je maar net interesse in hebben. Het zijn hele specifieke en praktische vakgebieden. En je moet er ook eerst het vwo voor overleven. 

Daarnaast weet je als puber vaak helemaal niet wat je latere beroep in de praktijk inhoudt. De keuzes die je moet maken zijn daarom heel abstract. Mijn eigen dochters riepen wel eens dat ze columnist of juf wilden worden, want dat waren de beroepen die concreet voor hen waren, doordat ze mij er over hoorden vertellen. Ook daarom is praktijkervaring op het vwo zo belangrijk. Laat de leerlingen een dag meelopen in een rechtbank, op een kantoor, in een ziekenhuis of maatschappelijke organisatie.  

Zelfs de keuze voor een studie is vaak vrij vaag voor leerlingen. Meeloopdagen helpen daarbij wel. Maar de studie-uitval is alsnog groot in de eerste jaren, meestal door een verkeerde studiekeuze. Vaak komen die studenten niet meer terug.’  

Welke opleidingen heb je zelf gevolgd? 

’Ik ging naar het gymnasium, maar eigenlijk wilde ik naar de LTS (Lagere Technische School). Daar zag ik kinderen bakken en dat wilde ik ook graag: bakker worden. Maar dat paste niet bij het vwo-advies. Uiteindelijk brandde ik op het gymnasium helemaal op. Ik heb adhd, ben wel leergierig en kan goed leren, maar niet met alleen maar theorie en boeken. Ik heb geen zitvlees. Zo zakte ik uiteindelijk af naar de havo en haalde onder aandringen van mijn moeder mijn havo-diploma. 

Daarna studeerde ik Europese Studies aan de Hogeschool. Mijn interesse voor jongeren werd gewekt tijdens een project van Jantje Beton in achterstandswijken. Ik werd jongerenwerker en ging uiteindelijk naar de Pabo. Daarna stond ik acht jaar voor de klas en zo kwam hoogbegaafdheid op mijn pad en werd ik daar specialist in.’ 

Hoe zou het zijn geweest als je toch bakker was geworden? 

’Een bakkersschool was waarschijnlijk niet uitdagend genoeg geweest voor me. Maar ik herinner me wel dat er destijds in België kostscholen waren waar je op hoog niveau een koksopleiding kon volgen, dat was waarschijnlijk een goede optie geweest. Ik had namelijk wel een duidelijke structuur nodig en ook hoge eisen, om me goed uitgedaagd te voelen. Een basis van theorie, met veel praktijk. Dat had wel beter bij me gepast dan een opleiding tot juf. Uiteindelijk is het gelopen zoals het is gelopen, en ik heb nu een mooie baan.’ 

Stel dat er in de toekomst inderdaad een vwo-praktijkschool komt, hoe moet die er wat jou betreft uitzien? En hoe kunnen onderwijsontwikkelaars hierop inspelen? 

’Ik neem mijn dochter als voorbeeld: ze zou graag op hoog niveau willen leren, om een paardenmanege te kunnen houden. Maar dit kan alleen op vmbo-niveau. Dit niveau daagt haar niet voldoende uit en bereidt haar ook niet voor op de toekomst die ze voor ogen heeft. Als ik dit idee vertaal naar een vwo-praktijkschool, dan zie ik een richting ‘dieren en bestuur’ voor me. Met in de ochtend een aanbod in allerlei vakken, zoals economie en biologie. Hierbij kunnen onderwijsontwikkelaars de methoden meer toespitsen op management rond dieren. Zo leer je bijvoorbeeld alvast boekhouden en weet je meteen ook waarvoor je dat precies leert.  

En dan kan er in de middag ruimte worden geboden om daadwerkelijk praktijkervaring op te doen, waarbij je de geleerde theorie toepast. Bijvoorbeeld het koffiehuis van een manege runnen, of leren om kostendekkend hooi in te kopen. En met zo’n richting kun je dan ook doorstromen naar bijvoorbeeld diergeneeskunde. En hetzelfde kan gelden voor alle andere richtingen. Denk aan de hotelschool, kappersschool of een baan in de installatietechniek. Wie zijn wij om te zeggen dat iemand die die richtingen op wil niet op hoog niveau kan studeren?’  

Zijn er voorbeelden van initiatieven en scholen waar vwo’ers al wel meer praktijkgericht onderwijs krijgen aangeboden? 

‘Er zijn zeker al goede initiatieven opgestart, deze liggen vaak bij individuele scholen of buitenschoolse projecten. Bijvoorbeeld technasiums waar vwo’ers probleemgestuurd onderwijs krijgen en werken aan oplossingen voor echte maatschappelijke uitdagingen. Vrije scholen besteden al meer aandacht aan de praktijk en persoonlijke talenten. Daarbij vinden ze het niet erg om leerlingen daar bijvoorbeeld een jaar meer de tijd voor te geven. Ook hoorde ik over het Teylingen College KTS in Voorhout, die al werken met een technomavo en een beroepshavo. Het kan dus wel, nu moet zoiets alleen nog worden gerealiseerd voor het vwo.’  

Wie moet(en) wat jou betreft het voortouw nemen om hierin stappen te zetten? 

’Het is wel belangrijk dat de politiek de signalen hierover ook oppakt. Maar die veranderingen gaan altijd erg langzaam en pakken vaak anders uit dan bedoeld. We bereiken meer en sneller iets op schoolniveau. Daarom roep ik schoolleiders op om verder te kijken dan alleen het theoretische vwo. Bied vwo’ers ook praktijkervaring! En daar zet ik mij ook graag zelf actief voor in. Het vraagt ook meer in het algemeen: een bredere blik vanuit de maatschappij op wat we kinderen bieden en hoe we ze daarin in beperken. Het gaat vooral om het bieden van keuzes. Iedereen is zo verschillend, laten we die verschillen meer recht doen!’

Meer weten? Connect met Sofie van der Waart op LinkedIn!


Ga hier terug naar de homepage.