30 Jan 2020

 

achtergronden

Nieuwe serie! In gesprek met een educatief auteur

 

Door Irene Campfens

 

 

Educatieve auteurs zijn schrijvers, redacteuren, onderwijsontwikkelaars, projectleiders en docenten die werkzaam zijn in alle onderwijsvormen: po, vo, (v)mbo, hbo en wo. Wat houdt hen bezig tussen alle vergaderingen, adviesgesprekken, correctierondes en curriculumwijzigingen door?
EduSchrift besteedt in iedere editie aandacht aan het educatief auteurschap binnen de verschillende vormen van onderwijs. Deze maand bijt educatief auteur Monique Neijndorff het spits af; zij is docent en onderwijsontwikkelaar in het middelbaar beroepsonderwijs.


Vertel eens wat meer over jezelf: wie ben je, wat doe je en waar precies? 
Als docent Nederlands ben ik werkzaam (geweest) in de Internationale Schakel Klas, het vrijeschoolonderwijs en het (voorbereidend) middelbaar beroepsonderwijs. Vanaf 2019 werk ik daarnaast als educatief auteur: ik ontwikkel in samenwerking met onderwijskundigen en vakdocenten lesmateriaal voor de zorg gerelateerde mbo-opleidingen op niveau 3 en niveau 4 van onderwijsinstelling ROC Midden Nederland.
Verhalen maken loopt als een rode draad door mijn leven. In mijn vrije tijd maak ik, als onderdeel van een duo, performances onder de naam MOKIMOKI. Daarnaast schrijf ik biografische verhalen onder de naam Het Portret Van. In het verleden schreef ik ook theatervoorstellingen samen met vluchtelingenjongeren, mensen met een psychiatrische achtergrond en zwerfjongeren. Op zich is dit alles niet verwonderlijk voor iemand die als tienjarig meisje ’s avonds in bed alle gedachten en belevingen al  van zich afschreef in een dagboek.

Waarom ben jij educatief auteur?
Ik ben dol op het vormgeven van onderwijs. In dit werk komen veel van mijn ervaringen samen. Ik merk dat ik het ongelooflijk leuk vind om door middel van interviews en onderzoek tot een levensechte casus te komen, waaraan alle bijbehorende theorie uit de opleiding gekoppeld kan worden.
Als docent werk ik ondanks alle richtlijnen en eisen vaak zonder vastomlijnde methode, wat een groot appel doet op mijn eigen schrijf- en ontwikkelkracht. Het mooie aan het onderwijs vind ik dat je altijd met ontwikkeling bezig bent, en blijft. Naast de ontwikkeling van het lesmateriaal en de organisatie ben je als docent ook voortdurend bezig met de ontwikkeling van de leerling en van jezelf. Werken in het onderwijs gaat wat mij betreft over groei, waarbij de zoektocht naar mogelijkheden blijft bestaan.

Welke uitdagingen kom je tegen in jouw werk? 
Ontwikkelen betekent vaak ook veranderen. Ik merk dat veel scholen bang zijn om hun volledige curriculum aan te passen. Hierdoor proberen ze te vernieuwen door middel van ad hoc pilots en projecten, zeg maar ‘losse flodders’. Deze zijn weliswaar geschikt als experiment om dingen uit te (durven) proberen; ze bieden veelal geen stevig fundament voor een daadwerkelijke verandering. Vaak drukken dit soort pilots en projecten enorm op het rooster en het werk van docenten waardoor de energie, de zin en het vertrouwen in de verbetering van onderwijs door langzame uitputting als sneeuw voor de zon verdwijnen.
Een werkelijke stap in de ontwikkeling binnen een school vraagt om een duidelijke toekomstvisie en de durf om het volledige curriculum volledig te herzien. Denk hiertoe aan vragen als: Wat vraagt de leerling van ons? Wat willen wij de leerling meegeven? Wat vragen maatschappij en arbeidsmarkt van ons? Wanneer biedt je welke lesstof aan? Hoe gaat de rol van docent eruitzien? Wat zijn de wettelijke kaders?
Zodra deze kaders staan en er een plan van implementatie is gemaakt, kan er ingekleurd worden. Met het inkleuren doel ik op de invulling van concreet lesmateriaal en de keuze voor de didactische werkvormen die toegepast kunnen worden. Wat mij betreft kunnen daarna pas succesvolle pilots en projecten worden bedacht.

En hoe zit het met de werkdruk en het werkplezier?
Door de werkdruk in het onderwijs kies ik er bewust voor om geen volledige fte te werken. Onderwijsperioden zijn wat werkdruk betreft ongelijkmatig verspreid. Je hebt te maken met extreme pieken. Dit is onder andere rond toets- en examenweken. Vaak werk je dan 1,5 keer meer dan jouw aanstelling groot is. Reken maar uit wat dit betekent bij een volledige aanstelling. Ik krijg dat met thuis niet gerijmd.
Inmiddels werk ik ruim twintig jaar in het onderwijs en heb al verschillende ontwikkelingen mogen meemaken. Bij alle ontwikkelingen heb je te maken met allerlei factoren zoals curriculum, onderwijsinspectie, een team, visie, etc. Je zou denken dat het gaat vervelen, maar ik begin het juist steeds leuker te vinden omdat je bij elke (wets)verandering jouw oude ervaringen meeneemt, en nieuwe opdoet. Zoals je elk schooljaar écht opnieuw begint, zo heb je ongeveer elke vijf jaar te maken met een groter nieuw begin. Heerlijk.

Zou je iets mee willen geven aan andere educatieve auteurs?
Durf te werken met verhalen. Hiermee kunnen leerlingen zichzelf identificeren. Het roept empathie of juist antipathie op. Beide geven voeding tot gespreksstof. En we weten allemaal: hoe groter de betrokkenheid, hoe groter de motivatie. De uitdaging aan ons, schrijvers, is om leerlingen in het verhaal mee te krijgen, ze als het ware te verleiden, zodat ze gemotiveerd raken. Schrijf over problemen die zij kunnen oplossen, zodat ze geactiveerd worden. Nu de jongeren minder naar onze literatuur komen, brengen wij de literatuur naar hen in een totaal ander, verrassend en verrijkend jasje.

Fotografie: Hanneke Wetzer

Ga hier terug naar de homepage.