30 Jul 2019

 

achtergronden

Nog een titel verzinnen

 

Door Jip Kruis

 

 

Leermiddelen ontwikkelen is een mooi vak dat goed te combineren is met een (deeltijd)baan als docent. Het doet een appèl op je vakinhoudelijke en didactische kwaliteiten en het kan weer aanleiding zijn tot reflectie op het leerproces van leerlingen en het werken in en met een klas. Valkuilen, vaardigheden en vindingrijkheid: wat kun je leren van het (zelf) ontwikkelen van leermiddelen?

Een noodzakelijke vaardigheid als je zelf leermiddelen wilt ontwikkelen? Zonder twijfel is dat de bereidheid om te leren. Net als het docentschap wordt het nooit routine. Daarnaast is een flinke dosis veerkracht nodig wanneer je leermiddelen ontwikkelt met of in opdracht van anderen. ‘Feedback’ is de term die niet alleen boven correcties en wijze inzichten hangt, maar ook de verpakking kan zijn van vlijmscherpe kritiek, eindeloos gehamer op arbitraire taalafspraken en redacteuren die zich ’goedbedoeld’ toch met de inhoud bemoeien. 

Spreken of schrijven?
Er is een aantal fundamentele verschillen tussen de rol van docent die leerlingen theorie uitlegt, instructies geeft of ondersteunt bij het verwerken van de lesstof en de leermiddelenontwikkelaar. De docent kent zijn leerlingen, gebruikt spreektaal, speelt in op de situatie, licht toe en zijn taal is vluchtig. De educatief auteur schrijft voor een brede doelgroep, moet puntig en helder formuleren, is vaak gehouden aan een format en heeft geen herkansing als iets niet meteen duidelijk is voor de gebruiker van zijn tekst. De leermiddelenontwikkelaar bedient een grote diverse groep leerlingen én docenten: dat is geen eenvoudige opgave. Zonder vindingrijkheid en humor kun je er maar beter niet aan beginnen.

Maar ook als je als docent zelf een les maakt, bijvoorbeeld bij een actueel onderwerp uit de krant, heb je ermee te maken dat geschreven taal op allerlei punten kan en vaak moet afwijken van gesproken taal om een goede educatieve context te bieden. Je hiervan bewust zijn, is al een belangrijke verworvenheid wanneer je zelf lesmateriaal ontwikkelt. 

Hoe schat je het niveau in?
Meer nog dan een docent didactiseert een leermiddelenontwikkelaar lesmaterialen. Leermiddelen ontwikkelen is tegenwoordig meer dan ‘Lesgeven op papier’ Nog altijd een goede bron voor leermiddelenontwikkelaars: Teunissen, Frans, Lesgeven op papier, Bohn Stafleu van Loghum, 1998 (ISBN 9789031317097) zeker in een tijd van adaptieve en individuele trajecten. Leermiddelenontwikkelaars worden vooral ingezet op de inhoud: theorie formuleren en opdrachten maken die aansluiten op een bepaald niveau en  bepaalde vaardigheden aanspreken. 

In de praktijk blijft het moeilijk om - zelfs met een aantal bestaande leerlingen in het achterhoofd - op het juiste niveau van taal en handelen in te steken. Er bestaan hulpmiddelen, zoals de fundamentele indelingen in taal- en rekenniveaus en de taxonomie-indelingen (Bloom, RTTI), maar ontwikkelaars voeren regelmatig discussies over de argumenten om een opdracht of tekst uiteindelijk op een bepaald niveau te labelen. 

Docenten zijn heel redelijk in staat om dat niveau in te schatten, maar de leerling is toch uiteindelijk de proof of the pudding. En die is helaas in het ontwikkeltraject vaak nog niet aangesloten.

De syllabus als houvast?
Het doel van het voortgezet onderwijs is dat leerlingen zich ontplooien en kennis en vaardigheden verwerven onder andere ter voorbereiding op een beroepsopleiding of studie. Door het opdelen van die ontwikkeling in vakgebieden en de druk om - zo hoog mogelijk - te presteren, is het voortgezet onderwijs steeds meer een diplomafabriek geworden. In de praktijk betekent dat dat een leermiddelenontwikkelaar maar één inhoudelijke richtlijn meekrijgt: de syllabus. De syllabi staan op examenblad.nl, een link die je als ontwikkelaar maar beter in je favorieten kunt zetten. Want daar vind je ook de examens die vast onderdeel van elk langlopend lesprogramma zijn geworden.

Het College voor Toetsen en Examens geeft omschrijvingen in de syllabi van wat onderdeel kan zijn van een examen. ‘Kan zijn!’ want de opsommingen zijn soms arbitrair, een minimum, maar nooit een maximum en zeker niet bedoeld als in beton gegoten, al lijkt het vaak dat zowel docenten als methodemakers daar van uitgaan. Dat verengt de vrije ruimte onnodig. De ruimte die er binnen - en buiten - een examenprogramma is, is niet alleen voorbehouden aan de invulling van de docent, maar idealiter ook aan de leermiddelenontwikkelaar: zo blijft er wat te kiezen voor docenten en leerlingen.

Heb je er wel eens bij stil gestaan dat er voor 3 havo en 3 vwo eigenlijk helemaal geen inhoudelijke eisen zijn? De basisvorming, in principe voor iedereen gelijk, kan voor vmbo in twee jaar, dus dat moet voor havo en vwo ook makkelijk lukken. De school mág meer doen en dat is het gat waar methodemakers dankbaar in zijn gesprongen. 
Zou je strikt naar de eisen kijken, dan zijn er vast veel leerlingen die havo of vwo in een jaar minder zouden kunnen doen, maar methodemakers zul je daar nooit over horen.


Samen ontwikkelen
Lesmethoden worden vrijwel nooit geschreven door één auteur. Samenwerken is noodzaak vanwege de grote hoeveelheid werk, maar ook omdat het plezierig is om samen op te trekken en ideeën uit te wisselen over de inhoud en de aanpak. Samenwerkingsvaardigheden zijn dan van belang, weten wanneer te relativeren en wanneer te intensiveren. 
Niet alle auteurs zijn bereid hun visie los te laten en er wordt regelmatig een beroep gedaan op ‘N=1 onderzoek’,  ofwel de auteur weet iets uit eigen ervaring. Dat is mooi, maar mag voor een auteur niet doorslaggevend zijn, want hij moet rekening houden met een diverse doelgroep, zowel wat betreft leerlingen als wat betreft (collega) docenten.

Er valt veel te zeggen over feedback. Marian van Gog schreef er een artikel over in de bundel ‘Wie maken het onderwijs?’ onder de titel ‘Help! Feedback!’ met daarin een veelzeggende tip ‘Leuke avond voor de boeg of bijna weekend? Bedenk goed of je het document met feedback nu wilt openen. Morgen (of maandag) is misschien vroeg genoeg.’ 

De taken van leermiddelenontwikkelaars worden vaak verdeeld over net iets te weinig mensen. En als je schrijft naast ander werk, is tijd een urgent vraagstuk. Je moet je tijd goed kunnen bewaken: de voorgestelde planning is nog wel eens aan de optimistische kant. En de uitgeverij heeft ook tijd nodig, voor de redactie, de opmaak, de correctie en de productie van leermiddelen. 

Lees de auteursinstructie!
Veel leermiddelenontwikkelaars schrijven eerst een proefopdracht. Er wordt gekeken naar de schrijfstijl, de creativiteit in opdrachten, de manier van omgaan met kritiek soms. En als het goed is, wordt dat werk ook meteen ingezet en is het niet ‘voor niets’ geweest. 

Die laatste zin is een voorbeeld van een zin die door een gehaaste redacteur aangepast kan worden: ‘een zin mag niet beginnen met een voegwoord. Lees de auteursinstructie!’ Een variant op ‘de zoveelste versie schrijven.’ Want de auteursinstructie is meestal niet zo vriendelijk. Het is een handboek van op zijn minst tientallen bladzijden. En groeiend, want alle uitgevers lijden aan voortschrijdend inzicht. De auteursinstructie is heel goed om het format en de kwaliteit te bewaken, maar het monster van bijna elke educatief auteur. Vraag er dus naar vóórdat je eraan begint.

Zelden lukt het om in de eerste schrijfronde alle aspecten mee te nemen die van belang zijn voor een goede lestekst. Ik maak regelmatig aantekeningen van openstaande punten. Bij herlezing zie ik dan ‘Nog een titel verzinnen.’

Jip Kruis is auteur en visieontwikkelaar
Dit artikel was de basis voor de gastcolumn in het vakblad van 12-18 (editie januari 2019)